Renée Conradi – Over boter

 

‘Mixed and mingled and entwined’

Een gedachtegang naar aanleiding van een croissantje met roomboter

Echte Brabantsche Roomboter. Al jarenlang trekt die -sch- me over de streep om het product trouw in mijn karretje te leggen. Het net zo Brabantsche, forse boerinneke op de goudkleurige verpakking werpt me, vanachter haar rood-wit geblokte gordijnen, een gemoedelijke blik toe. Het is moeilijk binnenkijken, maar ik denk naast haar een enorme ton verse boter te zien staan. En daar mogen wij van meegenieten. Is dat niet geweldig? Ook de vorm is anders: een royale rol van vijfhonderd gram, in plaats van de helft in een rechthoekig pakje. Je snijdt er met gemak een gezellige, dikke, ronde plak boter af. Leuk op het porseleinen schaaltje van oma dat ook deze zaterdag, tijdens een lunch met vrienden, weer op tafel staat. De croissantjes worden er rijkelijk mee besmeerd. Althans, door mij.

 

Roomboter dus. Een heet hangijzer in de foodie scene, zo blijkt. Want is het nu wel of niet gezonder dan margarine? En wat maakt het een dan precies gezonder dan het andere? Daar weten Miss Natural, Vegatopia en Brenda Kookt! – samen met ruim 11.000 andere Nederlandse bloggers – gelukkig alles van. Een van mijn vrienden trouwens ook. Hij bakt tegenwoordig alleen nog maar met kokosvet. Ook de Keuringsdienst van Waarde maakte aan aantal jaar geleden een aflevering over het gele goud. De conclusie: supermarktroomboter is één pot nat. De enige verschillen zijn de productnaam, de kleur en het materiaal van de wikkel en dientengevolge de prijs. De daadwerkelijke, merkbare verschillen in de samenstelling van de boters gaan niet veel verder dan ‘gezouten’ of ‘ongezouten’.

 

Ook hier aan tafel lopen de meningen over roomboter uiteen. De een zweert tegenwoordig dus bij kokosvet, terwijl de ander van schande spreekt over de roombotergate. ‘Nou en’, denk ik hardop. Ik ben van het soort dat, ondanks de herhaalde adviezen om over te stappen op een plantaardig product, stoïcijns blijft doorsmeren zonder er verder over na te denken. En dat mijn boter in de hier nabijgelegen Brabantsche fabriek op nog eens dertig manieren wordt verpakt en variërend in prijs en merknaam wordt verhandeld, interesseert me ook vrij weinig. Ik begin lichtvoetig over het boerinneke en het knusse gevoel dat ze bij me oproept, maar ik krijg geen bijval. In plaats daarvan blijkt mijn desinteresse een kwalijke zaak te zijn, voor iemand die een carrière in de culinaire journalistiek ambieert. Het aanvankelijk ongedwongen samenzijn krijgt een kritische, volvette staart waar ik de rest van het weekend mee in mijn maag zit.

 

Volgens mij vrienden zou ik een waakhond moeten zijn. De broodnodige kritische neus, ogen en oren die samen met mijn verstand misstanden en misleiding in de foodsector voor het voetlicht brengen. Want dát is toch de taak van de journalistiek? Daar zou ik me toch juist hard voor moeten maken? Deze reactie zet me aan het denken over mijn eigen intrinsieke motivatie om culinair journalist te willen worden. Het maakt me onzeker. Te meer omdat het me niet lukt te formuleren welke bijdrage ik dan wel zou willen leveren aan de culinaire journalistiek in Nederland. Want wat zegt die desinteresse over mijn motivatie en visie op het vak? Ben ik ondoordacht bezig? Een oppervlakkige journalist? Moet ik überhaupt wel voor een toekomst in de culinaire journalistiek gaan, als ik niet eens onder woorden kan brengen waarom ik dat wil? Later dat weekend, vroeg op de zondagavond, schiet me in flarden een citaat uit een essay van M.F.K. Fischer te binnen. Ik pakte The Art of Eating erbij en las terug:

 

It seems to me that our three basic needs, for food and security and love, are so mixed and mingled and entwined that we that we cannot straightly think of one without the others. So it happens that when I write of hunger, I am really writing about love and the hunger for it, and warmth and the love of it and the hunger for it… and then the warmth and richness and fine reality of hunger satisfied… and it is all one.”

 

Ik kan mezelf volledig vinden in deze passage. Voor mij is eten intiem. Iets persoonlijks. Het speelt een onmisbare rol in onze levens. Als middel om in leven te blijven – natuurlijk het liefst zo smakelijk mogelijk – maar bovenal als onbewust vehikel voor bewustwording. Over hoe wij ons verhouden tot onszelf, de ander en tot de maatschappij als geheel. Eten an sich en in de breedste zin van het woord als gemene deler, van waaruit je met empathie op zoek gaat naar de overeenkomsten, verschillen en nieuwe inzichten binnen de huidige tijdgeest. Eten als middel om onze eigen en collectieve manier van denken en handelen, met betrekking tot actuele kwesties en gebeurtenissen, onder de loep te nemen.

 

Volgens mij valt op dat vlak nog veel te winnen in de Nederlandse, culinaire journalistiek. Juist omdat eten, zij het misschien onbewust, voor iedereen zo verweven is met liefde en veiligheid. Op deze primaire gevoelens, en dus niet louter op feitelijke kennis, baseren we uiteindelijk toch vooral onze ideeën en meningen over onszelf en anderen? Laat op de zondagavond maakt mijn onzekerheid plaats voor een standvastig en veilig gevoel. Ik weet wat ik wil en misschien belangrijker nog: waarom ik dat wil. Al heb ik er wel honger van gekregen. Ik besluit deze micro-overwinning te vieren met een plak peperkoek en smeuïge laag roomboter. Dag boerinneke, slaap lekker.

 

 

Renée Conradi, reneeconradi.nl